Beleidsvorming

Hoe wordt beleid voorbereid en uitgewerkt?

Beleid maken betekent het streven om te onderhouden en te verbeteren, in een onophoudelijke strijd tegen de natuurlijke gang der dingen. Om in een veranderende wereld een nieuwe balans te vinden, of om zelf meer optimaal te handelen en doen.

Beleid heeft steeds van doen met wisselende situaties en omstandigheden, met oordeelsvorming, met de kunst van beoordelen. Technieken, praktische werkwijzen kunnen daarbij dienstig zijn. Beide zijn nodig om het proces van beleidsvorming in goede banen te leiden.

Hieronder meer over mogelijkheden om zo'n proces in goede banen te leiden.

De Nederlandse gezondheidszorg: een goede markt?

AfdrukkenE-mailadres
Geschreven door Paul Kleingeld

Vóór, tegen of vragen?

Het beleid om de Nederlandse gezondheidszorg op te zetten als een markt kent zowel voor- als tegenstanders.  De meeste mensen hebben voorafgaand aan de feiten over de prestatie van de Nederlandse gezondheidszorg-als-markt al bepaald of ze voor- of tegenstander van deze politiek zijn.
De voorstanders hebben een natuurlijke voorkeur voor de markt, omdat ze de tekortkomingen van de gezondheidszorg als semi-publieke voorziening zat zijn. Al die ambtenaren, papieren regels en papieren rechten: weg er mee...

De tegenstanders verwijzen naar Amerikaanse toestanden: 5% van de bevolking onverzekerd, een verdubbeling van de kosten in termen van percentage bruto nationaal product, en een daling van de gezondheidstoestand van de bevolking: stop er mee ...
Er zijn twee modellen voor een aanpak. Meer dan kiezen tussen die twee is er niet. Of toch wel?

Laatst aangepast op 12sept2010
   

Blijven samenwerken?

AfdrukkenE-mailadres
Geschreven door Jan van den Baard

Inleiding

Dit is een tweede tekst over het onderwerp samenwerken. Deze tekst gaat dieper in op evalueren van bestaande vormen van samenwerking. Daarbij komt aan de orde het tussentijds beoordelen van lopende samenwerking, en het na afloop beoordelen van samenwerking met derden binnen een project.
Hierbij geldt dat investeren in samenwerken, in de beginfase meer kost dan oplevert. Maar, als uw organisatie de opgedane ervaringen en kennis rond samenwerking systematisch betrekt bij het beoordelen of starten van (mogelijke) nieuwe vormen of projecten, dan wordt het rendement voor de organisatie snel groter.

Laatst aangepast op 15okt2011
   

Gaan samenwerken?

AfdrukkenE-mailadres
Geschreven door Jan van den Baard

Inleiding

Op alle fronten in de door de overheid gefinancierde sectoren klinkt al lang de roep om meer samen te werken, om, daar waar nodig, iets van de autonomie van de eigen organisatie op te geven; ten bate van een groter nut.
Het woord 'samenwerken' wordt voor een veelheid van situaties gehanteerd, waardoor de betekenis ervan aan inflatie onderhevig is. Soms wordt gewoon 'fusie' bedoeld, soms 'coalitie', soms met elkaar uitvoering geven aan wat derden besloten hebben.
Volgens van Dale is 'samenwerken': gemeenschappelijk aan eenzelfde taak werken, coöpereren, samendoen. In deze tekst wordt het gebruikt voor 'met meerdere mensen of organisaties werken aan een met elkaar gesteld doel'.
In deze tekst wordt vooral gefocust op wat er nodig is alvorens te gaan samenwerken. Aan de orde komen de noodzakelijke randvoorwaarden binnen de organisatie en de keuze van potentiële en geschikte partners.
In de tekst Blijven Samenwerken komt het evalueren van bestaande samenwerking aan de orde.

Laatst aangepast op 15okt2011
   

Een krachtige organisatie

Ontwikkel het 'zelfdragend vermogen' van de eigen organisatie

Voor elke organisatie, dus ook voor patiëntenorganisaties, geldt dat er een bepaalde interne capaciteit (eigen kracht, vermogens en andere voorwaarden) voorhanden moet zijn om te groeien of om gewoon in leven te blijven. In de Engelstalige literatuur wordt het verstevigen van deze vermogens "capacity building" (CB) genoemd. Dit refereert aan alle inspanningen die een organisatie robuuster maken en bijdragen aan het vervullen van de missie van de organisatie.
Binnen de Nederlandse context hebben verschillende actoren tijd en energie gestoken in de ontwikkeling van moderne patiënten-/consumentenorganisaties.

De overheid, de fondsen/financieringsorganisaties en patiëntenorganisaties zelf, hebben zich intensief bezig gehouden met de vraag wat de meest ideale organisatievorm is welke organisaties in staat stelt om zo adequaat mogelijk haar boontjes te doppen. In de afgelopen 15 jaar heeft het Ministerie van VWS (als toenmalige financier) een stevig stempel gedrukt op de naar haar mening meest adequate organisatievorm voor samenwerkingsverbanden of koepels. Dit betekende in de praktijk: topdown fusies, uitbreiding van het professionele apparaat (modernisering). Alles in het teken van een sectorbeleid waarin patiënten-/consumentenorganisaties een zogenaamde "derde partij rol", naast zorgaanbieders en zorgverzekeraars werd toegekend. Gelijk opgaand met oplopende verwachtingen van de overheid is er sprake van meer geld en meer normatieve invloeden.
Ook ten aanzien van de ziekte-gerelateerde organisaties is een dergelijk beleid gehanteerd (waarbij overigens de vraag of een derde partij rol wel een taak is voor dergelijke organisaties niet beantwoord werd). Bij deze organisaties is bovendien sprake van grotere verschillen dan bij de hierboven genoemde koepels voor wat de eigen situatie en positie betreft. Verschillen qua ontwikkelingsfase (starter, ontwikkelend, consoliderend), alsmede in verschillen en overlappen ten aanzien van de gewenste uitkomsten van modernisering. Wat dit laatste betreft: voor de één betekent het een stevig geprofessionaliseerde organisatie (á la de ANWB) met een voornamelijk passieve rol voor de leden (rechtspersonen, geen natuurlijke personen); voor de ander een organisatie waar leden en vrijwilligers de agendasetting bepalen en evalueren; waarbij een professioneel uitvoerend en faciliterend apparaat voorhanden is.
Weer een derde zet moderne vormen van coöperaties op, waarbinnen leden / belanghebbenden in eigen beheer diensten aankopen, alsmede de belangen van de leden behartigen ten opzichte van andere actoren.

 

In de ervaringswereld van Nederlandse patiëntenorganisaties betekent het begrip "modernisering" vaak "dé-amateurisering" van de organisatie. Wat gelijk staat met het laten uitvoeren van een toenemend aantal taken door betaalde krachten (autonome professionals met management ideeën ontleend aan de profitsector), waarbij de link met ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid niet meer expliciet aanwezig is.

Voor leden van de organisaties kan zo'n vorm van modernisering een aantasting betekenen van de mogelijkheden om als lid verantwoordelijkheid te dragen voor / uitvoering te geven aan het beleid en de inspanningen van de organisatie.
Vaak ontstaat verwarring doordat patiënten-/consumentenorganisaties beschouwd worden als vrijwilligersorganisaties in de klassieke betekenis van het woord, nl. organisaties waarin vrijwilligers om niet diensten verlenen aan mensen die om die diensten gevraagd hebben. Binnen het welzijnswerk is een groot aantal van dit soort organisaties te vinden, met een groot scala aan dienstverlening variërend van warme maaltijden voor ouderen, vervoersprojecten en bezoekdiensten tot meer groepsgerichte activiteiten in de sfeer van educatie, ontspanning en ontmoeting.
Enkele belangrijke verschillen tussen de bovengenoemde typen organisaties en patiënten-/ consumentenorganisaties zijn, dat deze laatste:

  • pleitbezorging (belangenbehartiging) combineren met onderlinge steun en bijstand;
  • vaak het karakter van een vereniging hebben (leden).
Laatst aangepast op 10nov2010
   

Vindplaatsen van beleidsonderzoek

AfdrukkenE-mailadres
Geschreven door Paul Kleingeld

Op het gebied van zorg en welzijn is beleidsonderzoek in Nederland vooral onderzoek naar overheidsbeleid. Precieser: de uitvoering door derden van overheidbeleid. De doelen van beleid (de rationaliteit en de bereikbaarheid van die doelen) worden daarbij niet op zichzelf bekeken. Ze zijn een gegeven, en ze blijven buiten zicht van de evaluatie. Dat is in lijn met de 'rationele' opvatting van beleidsvoering.

Toch is de praktijk van onderzoek op het tweede gezicht vaak wel weer subtieler. De discussie over de wenselijkheid van de gestelde beleidsdoelen kan en wordt wel gevoerd maar indirect: door de haalbaarheid van de voorgestane beleidsuitvoering. Het gaat dan niet om het willen maar om het kunnen. Min of meer analoog aan het gezegde waar geen wil is is geen weg.

 

Laatst aangepast op 05sept2010