Een krachtige organisatie

Ontwikkel het 'zelfdragend vermogen' van de eigen organisatie

Voor elke organisatie, dus ook voor patiëntenorganisaties, geldt dat er een bepaalde interne capaciteit (eigen kracht, vermogens en andere voorwaarden) voorhanden moet zijn om te groeien of om gewoon in leven te blijven. In de Engelstalige literatuur wordt het verstevigen van deze vermogens "capacity building" (CB) genoemd. Dit refereert aan alle inspanningen die een organisatie robuuster maken en bijdragen aan het vervullen van de missie van de organisatie.
Binnen de Nederlandse context hebben verschillende actoren tijd en energie gestoken in de ontwikkeling van moderne patiënten-/consumentenorganisaties.

De overheid, de fondsen/financieringsorganisaties en patiëntenorganisaties zelf, hebben zich intensief bezig gehouden met de vraag wat de meest ideale organisatievorm is welke organisaties in staat stelt om zo adequaat mogelijk haar boontjes te doppen. In de afgelopen 15 jaar heeft het Ministerie van VWS (als toenmalige financier) een stevig stempel gedrukt op de naar haar mening meest adequate organisatievorm voor samenwerkingsverbanden of koepels. Dit betekende in de praktijk: topdown fusies, uitbreiding van het professionele apparaat (modernisering). Alles in het teken van een sectorbeleid waarin patiënten-/consumentenorganisaties een zogenaamde "derde partij rol", naast zorgaanbieders en zorgverzekeraars werd toegekend. Gelijk opgaand met oplopende verwachtingen van de overheid is er sprake van meer geld en meer normatieve invloeden.
Ook ten aanzien van de ziekte-gerelateerde organisaties is een dergelijk beleid gehanteerd (waarbij overigens de vraag of een derde partij rol wel een taak is voor dergelijke organisaties niet beantwoord werd). Bij deze organisaties is bovendien sprake van grotere verschillen dan bij de hierboven genoemde koepels voor wat de eigen situatie en positie betreft. Verschillen qua ontwikkelingsfase (starter, ontwikkelend, consoliderend), alsmede in verschillen en overlappen ten aanzien van de gewenste uitkomsten van modernisering. Wat dit laatste betreft: voor de één betekent het een stevig geprofessionaliseerde organisatie (á la de ANWB) met een voornamelijk passieve rol voor de leden (rechtspersonen, geen natuurlijke personen); voor de ander een organisatie waar leden en vrijwilligers de agendasetting bepalen en evalueren; waarbij een professioneel uitvoerend en faciliterend apparaat voorhanden is.
Weer een derde zet moderne vormen van coöperaties op, waarbinnen leden / belanghebbenden in eigen beheer diensten aankopen, alsmede de belangen van de leden behartigen ten opzichte van andere actoren.

 

In de ervaringswereld van Nederlandse patiëntenorganisaties betekent het begrip "modernisering" vaak "dé-amateurisering" van de organisatie. Wat gelijk staat met het laten uitvoeren van een toenemend aantal taken door betaalde krachten (autonome professionals met management ideeën ontleend aan de profitsector), waarbij de link met ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid niet meer expliciet aanwezig is.

Voor leden van de organisaties kan zo'n vorm van modernisering een aantasting betekenen van de mogelijkheden om als lid verantwoordelijkheid te dragen voor / uitvoering te geven aan het beleid en de inspanningen van de organisatie.
Vaak ontstaat verwarring doordat patiënten-/consumentenorganisaties beschouwd worden als vrijwilligersorganisaties in de klassieke betekenis van het woord, nl. organisaties waarin vrijwilligers om niet diensten verlenen aan mensen die om die diensten gevraagd hebben. Binnen het welzijnswerk is een groot aantal van dit soort organisaties te vinden, met een groot scala aan dienstverlening variërend van warme maaltijden voor ouderen, vervoersprojecten en bezoekdiensten tot meer groepsgerichte activiteiten in de sfeer van educatie, ontspanning en ontmoeting.
Enkele belangrijke verschillen tussen de bovengenoemde typen organisaties en patiënten-/ consumentenorganisaties zijn, dat deze laatste:

  • pleitbezorging (belangenbehartiging) combineren met onderlinge steun en bijstand;
  • vaak het karakter van een vereniging hebben (leden).

Handleidingen & wegwijzers

Om de vraag te beantwoorden wat goed onderhoud van zelfdragend vermogen inhoudt, is het noodzakelijk stil te staan bij het functioneren en de verlangens en ambities van de organisatie zelf. Een scan kan hierbij een eerste aanzet geven. Deze scan is bedoeld om op eenvoudige en snelle wijze een momentopname van de patiënten-/consumentenorganisatie te maken en aan te geven wat goed loopt en wat verbetering behoeft.

Achtergrond documentatie en literatuur

Meer informatie treft u in deze tekst met achtergrondinformatie . Het NonProfit Capacity Self Assessment Workbook bevat een aantal informatieve en praktische teksten. Uit het boek Effective Capacity Building komt deze aan het organisatiebureau McKinsey ontleende handige beoordelingsmatrix.

De Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie WN heeft enkele hoofdstukken uit een uitgebreide gids gepubliceerd op het internet From the Roots Up (ca. 3,5 Mb).
Voor meer achtergrondinformatie over het versterken van het zelfdragend vermogen van een vereniging kunt u terecht op http://www.cealweb.com/. Hier vindt u o.a. een artikel over botsingen in cultuur tussen vrijwillig kader en professionals.

Een inkijkje in de afwegingen van een groot Amerikaans fonds biedt het boek The Funder's Guide to Capacity building.
Meer over investeren in het zelfdragend vermogen van non-profit organisaties in Capacity Building For Nonprofit Organizations, A Resource List.

Welke kracht past bij welk type organisatie? Antwoord op deze vraag biedt een publicatie van de organisatie-expert Charles Handy. Diens werk Understanding Voluntary Organizations, (ISBN 0-14-014338-6, uitgegeven door Penguin Books), wordt algemeen beschouwd als het standaardwerk over de logica en ontwikkeling van vrijwilligersorganisaties. Voor enkele conclusies klik Het perspectief van Handy.

Een Nederlandstalig standaardwerk is Management van vrijwilligersorganisaties geschreven door Lucas C.P.M. Meijs. De auteur is per december 2003 benoemd tot bijzonder hoogleraar Vrijwilligerswerk, civil society en ondernemingen bij de Rotterdam School of Management.

Laatst aangepast op 10nov2010