Onderzoekers, journalisten en ervaringsverhalen
Onderzoekers en journalisten zijn beroepsgroepen die een goed verhaal kunnen waarderen. Er zijn nogal uiteenlopende manieren waarop ze dat in hun beroepshandelen waar maken. Van beide worden hieronder een aantal voorbeeldige beoefenaren genoemd en kort besproken.
Onderzoekers en ervaringsverhalen
Er zijn nogal wat sociaal-wetenschappelijke onderzoekers die voor hun onderzoek gebruik maken van verhalen van respondenten. Meestal worden respondenten daartoe door de onderzoeker (of diens assistenten) geïnterviewd. Deze interviews worden vervolgens uitgetikt, en aan de respondent wordt gevraagd of deze het uitgetikte verslag wil goedkeuren. Daarna wordt een bundel verslagen door onderzoekers geanalyseerd. De verhalen worden daarbij als het ware aan repen gesneden, en de afzonderlijke repen worden nauwkeurig en zorgvuldig bij elkaar gezet en geordend. In het resultaat van onderzoek is dan de bundel verhalen als zodanig niet meer terug te vinden. De onderzoeker heeft de verhalen als data gebruikt om een eigen vraag te beantwoorden, of geleid door die verhalen om nieuwe vragen te bedenken.
Er zijn niet zoveel onderzoekers die de door hen verzamelde verhalen omzetten in één samenhangend verhaal, als lapjes die in 'n lappendeken worden samengebracht en die ieder voor zich herkenbaar zijn en toch ook in een groter verband zijn ondergebracht.
Daarbij is het verschil tussen beide manieren van omgang met de verzamelde verhalen ook niet volstrekt absoluut, maar eerder een soort van geleidelijke overgang.
De onderzoekers die de verzamelde verhalen het meest 'heel' laten als verhaal, halen juist met dat doel voor ogen zelf ook de nodige kunstgrepen uit. Bijvoorbeeld door bij het presenteren van één verhaal onderdelen 'aan elkaar te snijden', of door meerdere verhalen zo bij elkaar te zetten dat ze elkaars zeggingskracht juist versterken, verbreden en verdiepen.
Hoe goed en zorgvuldig ook gedaan, het zijn altijd ingrepen van de onderzoeker die de door hem/haar gepresenteerde verhalen in een kader zetten en daarmee tot publicatie van de onderzoeker zelf. Kortom de onderzoeker wordt uiteindelijk altijd uiteindelijk ook meer dan alleen de redacteur. De onderzoeker wordt de auteur; en staat ook als zodanig op de kaft van het boek aangeduid.
Goede voorbeelden in Nederland zijn bijvoorbeeld publicaties van Selma Leydesdorff. Haar boek Het water en de herinnering, met als ondertitel De Zeeuwse watersnoodramp 1953 - 1993, en Wij hebben als mens geleefd. Het joodse proletariaat van Amsterdam 1900 - 1940. Meer recent publiceerde zij De leegte achter ons laten, een geschiedenis van de vrouwen van Sebrenica.
Deze boeken zijn een vorm van 'mondelinge geschiedenis', geschiedenis opgetekend uit de mond van mensen die haar mee hebben gemaakt. Geschiedenis vaak in de vorm van levensverhalen. Levensverhalen waarbinnen één grote en traumatische gebeurtenis al het beleefde in een eigen licht zet.
Journalisten en ervaringsverhalen
Buiten Nederland zijn de boeken van Studs Terkel het meest bekend. Terkel heeft in een lang leven, hij is geboren in 1912 en eind 2008 overleden, een hele stapel boeken geschreven. Hij heeft een veelheid van beroepen gehad, waaronder die van schrijver, talkshow-host, journalist. Boeken die hij schreef zijn gebaseerd op interviews met mensen die 'erbij waren'; bij de depressie, de tweede wereldoorlog, bij de strijd voor burgerrechten. Het gaat hem om hun verhalen over traumatische momenten en perioden. Zijn boek over de wereld van werk is daar geen uitzondering op. Het start met deze zinnen:
"Dit boek gaat, omdat het over werk gaat, in wezen over geweld; geweld aangedaan aan de geest zowel als aan het lichaam. Het gaat over maagzweren en over ongelukken, het gaat over scheldpartijen en over vuistgevechten, over zenuwinstortingen maar ook over de trap die de hond kan krijgen. Het gaat bovenal (of onder alles), over dagelijkse vernederingen. De dag overleven is al triomf genoeg voor de wandelende patiënten onder de meesten van ons." (link naar boekgegevens)
In een aan hem gewijde website zijn meer details over zijn werk te vinden. Daarbij kan een rijke selectie van getapete interviews beluisterd worden.
Zowel Terkel als Leydesdorff geven in hun boeken beeld van de waardigheid en het zelfrespect van hun respondenten. Waar Leydesdorff dat in een kader van emancipatie zet, is Terkel meer de criticaster van de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling van de Verenigde Staten. Iemand die schrijvend over Britse onderwerpen daartussenin staat is de in 1996 overleden Tony Parker.
Parker schreef 22 boeken waarin hij de rijkdom van gemarginaliseerde levens beschrijft. In Groot Brittannië werd hij algemeen beschouwd als de beste interviewer van misdadigers en andere marginale figuren "sinds de tweede wereldoorlog". Behalve boeken over misdadigers schreef Parker onder meer over de inwoners van een mijnwerkersdorp, een Londense stadswijk, soldaten en vuurtorenwachters. Zijn boek Lighthouse uit 1975, over vuurtorenwachters was mede de inspiratie voor de naam van onze stichting. Parker is vooral iemand die stem geeft aan mensen die zelden gehoord worden. Meer over hem via deze link.


